1.Van het huis = waarvandaan
2.met hongerige maag = waarmee
3.in het bos = waar
4.van de struiken = waarvandaan
5.daarmee = waarmee
6.tegen de avond = wanneer
7.in de verte = waar
8.uit de ramen = waarvandaan
9.uit de schoorsteen = waarvandaan
10.in zichzelf = hoe
11.met gezwinde pas = hoe
12.met zijn poot = hoe
13.met zijn lichaam = hoe
14.op tafel = waar
15.op het brandende fornuis = waar
16.uit de tuit = waarvandaan
17.in bed = waar
18.onder het bed = waar
19.in de kast = waar
20.de hele dag = wanneer
21.achter zich = waar
22.met de staart tussen de benen = hoe
23.van het huisje = waarvandaan